Lars Boom als superknecht van een topper? ‘Leuk!’

13 augustus 2019

Cor Vos

Nu zijn ploeg Roompot-Charles waarschijnlijk ophoudt te bestaan, wil Lars Boom (33) laten zien wat hij waard is. Te beginnen in de BinckBank Tour, die maandag van start ging.


Een jaar geleden stal Roompot nog de show in de BinckBank Tour. De aansluiting met de World Tour-ploegen leek gemaakt. Lars Boom stapte afgelopen winter dan ook maar al te graag over naar de fusieploeg. ,,Ik heb nog een optie voor volgend jaar”, laat de Brabander na afloop van de verregende en door Sam Bennett gewonnen rit weten aan BN/De Stem. ,,Maar daar komt dus niks van.” Aangezien Roompot heeft laten weten te stoppen met het sponsoren.

En nu?
Uitzicht op een doorstart is er voorlopig niet. ,,Ik merk in elk geval niet echt dat er iets gebeurt op dat gebied. Het is jammer dat Roompot stopt. Charles wil wel door, maar dat bedrijf kan niet alleen de kar trekken”, zegt Boom. En dus weet de Brabander, die de voorloper van de BinckBank Tour, de Eneco Tour, in 2012 won, niet wat de toekomst hem zal brengen.

Superknecht?
Een nieuwe ploeg zoeken is de meest voor de hand liggende optie. Rond de teambussen bij de finish in Hulst wordt gefluisterd dat enkele toppers hem er dolgraag als superknecht bij willen hebben. Boom zegt zo’n nieuwe rol wel te zien zitten. ,,Ik ben op een punt in mijn carrière dat ik Parijs-Roubaix nog graag voor mezelf wil rijden, maar dat ik daarbuiten voldoening haal uit het werken voor een ander. Ik heb dat in het verleden (bij Lotto-Jumbo) ook al gedaan voor Dylan Groenewegen en Primoz Roglic. Ik vond dat toen ook al leuk om te doen. Het gaf me heel veel voldoening en ook daar wil ik nu naar kijken.”

Overleg
Op namen (Terpstra? Total?) of kans van slagen wil Boom niet ingaan. ,,Er is interesse van andere ploegen. We zijn daar rustig mee in overleg. Alleen heeft dat zijn tijd nodig. Wat ook helpt is dat ik deze week laat zien dat ik gemotiveerd ben en dat ik goede uitslagen rijd.”ossing voor gevonden. Tot dusverre gaat het weer goed en zo moeten we verder.”